Verhalen

Jij en de Lama

Je kijkt vanuit de koude, blauwe hemel neer op de bergen van Chili. Het is er fris, stil en vredig. En het is net alsof er een glimlach vol van levenskracht overal in de lucht is doorgedrongen.

Even hang je daar ook helemaal stil en vredig te genieten van het uitzicht op de bergen, totdat je oog valt op een smal bergpaadje. Nieuwsgierig ga je dichterbij. Het is een eeuwenoud bergpad, kronkelend en golvend door de bergen, door vele voeten uitgehold. Het pad verbindt alle dorpen in de bergen met elkaar, als een haast eindeloos lang, met grind bestrooid lichtgrijs lint.

Er lopen mensen, vaak met dieren, af en aan over het bergpad. Bijna iedereen heeft wel iets bij zich. Spullen voor onderweg, voor een vriend of voor de handel in een volgend dorp. De een laat zijn ezel een kar trekken, een ander heeft een vracht op het hoofd en weer een ander draagt een eenvoudige plunjezak. Wat is iedereen bezig!

Dan valt je oog op een donkerbruine lama die helemaal alleen loopt. Hij heeft een slordige, klitterige vacht met hier en daar een klontje zwarte modder. Opmerkelijk genoeg heeft hij geen begeleider en hij draagt ook geen vracht. Wel heeft hij een touw om zijn snuit, waar een baasje hem aan zou kunnen vasthouden. Het losse eind van het touw, waar een lus in is gemaakt, sleept een eindje over de grond. Heel langzaam en voorzichtig loopt de lama over het bergpad. Stapje voor stapje zet hij zijn ene poot voor de andere. Toch stapt hij vaak op het touw en struikelt dan bijna. Dan staat hij voor de zoveelste keer stil, tilt vermoeid zijn poot een beetje op en met een rukje van zijn hoofd gooit hij het touw weer een eindje verderop.

De grote, zwarte ogen van de lama zijn dof en treurig. Hij ziet niks anders dan de weg, zijn eigen poten en het ellendige touw. De heldere lucht, de bergen, de struiken met lekkere bessen, het gaat allemaal voorbij aan de aandacht van de lama. De andere mensen en dieren op het bergpad lijken voorbij te flitsen als in sneltrein. Het voelt alsof hij maar niet vooruit komt, alsof hij de enige is die zichzelf ziet ploeteren en alsof hij niemand om hulp kan vragen. Hij probeert het wel eens, maar dan struikelt hij weer bijna en wanneer hij zijn hoofd weer omhoog gooit, om zichzelf voor even vrij te maken, is de ander alweer verder gelopen over het smalle pad.

Hij staat eens stil en zucht heel diep. Wat doet hij hier eigenlijk? Waarom loopt hij hier? Waarom loopt niemand ook in zijn tempo, zodat hij eens tegen iemand ‘hallo’ kan zeggen?

Dan voelt hij iets bij zijn oor. Iets zachts, iets wonderlijks. Zonder echt opzij te hoeven kijken met zijn droeve, zwarte ogen, wéét hij en ziet hij een klein paars luchtsliertje dat zijn rechteroor wil binnengaan. Hij voelt dat het goed is en vol verwachting laat hij het gebeuren. Zo wonderlijk! Het voelt fijn en warm en helder. Hij schudt eens zachtjes met zijn kop om de paarse gloed in zijn hoofd te helpen verspreiden. Even sluit hij zijn zwarte ogen met lange wimpers om te voelen wat er gebeurt in zijn koppie.

Het voelt alsof zijn hoofd de kruin is van een breedvertakte boom, die nu miljoenen kleine, in de lucht dansende blaadjes doet ontluiken. En triljoenen verbindingen lopen vanuit de kruin naar beneden naar de wortels, die zich nu aan het herstellen zijn in de zachte, donkere aarde. Kale stukjes wortel krijgen weer een laagje bast, rotte stukjes herstellen zich op wonderlijke wijze en de uiterst dunne uiteinden groeien dieper de grond in. Daar ontstaat een soort mantel door de lichtende verbinding tussen de fijne boomwortels en de oneindige verscheidenheid aan leven in de aarde. De boom staat nu stevig en krachtig te wiegen in de wind. Hij leeft in het ritme van de seizoenen.

Wanneer hij zijn ogen weer opslaat, staat daar een man voor hem met even droeve, maar toch ook glinsterende, blije ogen. De man kijkt hem vragend aan en pakt het touw dat steeds op de grond hing en hem zo vaak deed struikelen. ‘Kom’, zegt de man, ‘laten we samen verder lopen’. De lama geeft de man een liefkozend koppie tegen de schouder en samen lopen ze verder.

Je ziet dat de man en de lama in hetzelfde tempo lopen over het eeuwenoude bergpad. Ze staan regelmatig stil om een praatje te maken met een voorbijganger. Ze eten af en to iets of ze drinken uit een bergstroompje. De man aait de lama, de lama geeft zijn liefkozende kopjes. Je ziet dat de lama een mooie, schone vacht heeft gekregen en fier rechtop kan lopen. Tevreden omvat je beiden met alles wat je bent en dan los je weer op in de koude berglucht.


Bokje

Ik spring en dartel in een zonovergoten weiland. Met een halve zijwaartse draai zweef ik van de klavers naar de paardenbloemen en dan vlieg ik met een heel grote boog over een paar pinksterbloemen heen. Daar zie ik een ander geitje. Eén van de velen die hier in de wei wonen. Ik neem een aanloop en bonk eens lekker hard tegen zijn koppie met mijn horens. Dat voelt gewoon zo lekker. Ik krijg een stevige duw terug. We bonken en wrikken nog eens flink tegen elkaars horens en dan springt de ander weer verder. Ik kijk op naar de blauwe lucht met witte wolken. Dan weer naar al het groen om mij heen. Wat een heerlijk weitje… Hier en daar staan bloemen tussen het gras en verderop is een beekje. Achter het beekje begint het grote bos. Daar ben ik nog nooit geweest, want er is een hekje tussen de beek en het bos. Wat zou daar zijn? Ik voel mijn benen wankel worden. Een vreemd gevoel, dat ik niet ken en niet kan beschrijven, bewolkt ineens mijn hoofd, mijn ogen, mijn lijf en zelfs het weiland. Ik zak door de grond en val in de diepte…

Met een schok wordt ik wakker in mijn hok.

nl_NLNederlands